Kloostergasten 3

De kamer die Zacheüs hem wijst is leeg en donker. Er staat een bureau, achteraan, gericht op het enige raam. De stoel staat met zijn rugleuning naar Lucas toe. Links is een fonteintje, en schuin daarboven hangt een beeld aan de wand, een magere man, van hout, het hoofd opzij gedraaid.

Jezus. Dichterbij staat een donkere kledingkast, waar Lucas zijn weekendtas voor neerzet. Hij opent een deur en wordt verrast door zijn eigen spiegelbeeld. Jezus, wat ben ik bleek, denkt hij. Hij trekt de deur weer naar zich toe, de kamer kantelt en het spiegelbeeld verdwijnt weer.

Er is op hem gerekend. Er hangen twee handdoeken en washanden over de rand van de wastafel, oude handdoeken, bijna gerafeld. Ook in de spiegel boven het fonteintje vindt Lucas zichzelf er slecht uitzien. Het kan ook door het licht komen, de hoge witte wanden, de kale duidelijkheid van de kamer.

Toch bevalt de ruimte hem, het is of alles klaarstaat om hem ten dienste te zijn. Het enige waar Lucas zich ongemakkelijk bij voelt is het houten beeld van Jezus aan de wand.

Hij gaat er recht tegenover staan, dichterbij dan nodig en bekijkt de gekruisigde aandachtig. Jij ziet er in ieder geval slechter uit dan ik, denkt Lucas. Jezus is door zijn maker met een praktische spijker aan het kruishout getimmerd. De ribben van de man zijn te tellen, als de schubben van een vis. Mager en hoekig is het beeld. Er is nog een klein bosje schaamhaar te zien boven de lendendoek.

Wat zal de maker gedacht hebben, toen hij zijn zoveelste Jezus uit het hout haalde? Zou hij een artiest zijn geweest, een gevoelsmens? Of maakte hij hem achteloos, met zijn hoofd er niet bij?

Hoe dan ook, Jezus lijkt in deze kamer een vanzelfsprekende functie te hebben, zoals de stoel er is om op te zitten en het bed om in te slapen. Zoals een vuur er is om je aan te warmen.

Het hout is glad alsof veel handen het hebben aangeraakt. Jezus als gebruiksvoorwerp. Lucas laat zijn ogen loskomen van het beeld en draait zich om. Er begint een liedje in zijn hoofd te spelen, en hij maakt een paar danspassen in de richting van het bureau. Er ligt een plastic schrijfblad op. Een bijbel, een flesopener en een roodbruin mapje met een wapen op de omslag, een gestileerde palmboom. ‘Ut Palma’, leest Lucas. Hij maakt zich los van het bureau en kijkt naar buiten.

Het is zonniger dan je binnen zou denken. Het groen van de kastanjebomen is doorschijnend in de zon. Aan de overkant, de afstand is misschien tien meter, rijst nog een vleugel van het klooster op. Het dak is leigrijs. De muur is van bruine steen, de ramen hebben gekleurd glas. Er staat één open, ziet Lucas, een grote hor moet de vliegen op afstand houden.

Dat moet de eetzaal zijn. Straks maar eens een kijkje nemen. Lucas bladert wat in de map op het bureau. Er staat een programma voor elke dag in, de dagorde. Straks komen de vespers eraan, de eerste viering en daarna is het avondeten. ‘Het ontbijt en de middagmaaltijd worden in stilte genuttigd’, leest hij. Hij gaat zitten en slaat af en toe een bladzijde om.

De deurbel luidt. Een andere gast? Lucas staat op en loert naar buiten. Vanaf hier kan hij de koperen bel zien, het ding wordt vanbuiten bediend met een koord. Hij ziet een stukje van broeder Zacheüs. Er loopt een man voor hem uit, alsof hij het hier al kent, onder de poort vandaan. Hij is achter in de zestig, wit haar, klein van stuk met een rugzakje en wandelschoenen. Geitenwollensokkentype. Pratend verdwijnen de twee naar de deur van het gastenverblijf, Lucas blijft kijken totdat ze onder hem verdwenen zijn.

This entry was posted in Religie. Bookmark the permalink.

1 Reactie op Kloostergasten 3

  1. Paranoid Android says:

    Ik zit met spanning op de volgende aflevering te wachten. Wat een heerlijke kost.

Geef een reactie

Jouw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>